In het Taalboek van het vierde leren de leerlingen over: de das, de ijsvogel, de otter, de adder.
DE DAS
Schooltv “de das 1”
Dassen leven in het bos.
Ze eten graag bosbessen.
Ze zwemmen daarvoor naar de overkant van de beek.
Of ze zoeken naar een een brug.
Schooltv “dassenopvang”
In hun buitenverblijf spelen ze naar hartenlust.
Ze zoeken naar hun voedsel.
Als ze poepen, graven ze een kuiltje.
Dassen zijn nachtdieren.
Dat is omdat er overdag veel auto’s zijn.
De belangrijkste doodsoorzaak bij dassen is omdat ze worden doodgereden.
’s Nachts heb je minder verkeer.
Mensen gaan veel uit met honden.
Die laten ze uit.
Vroeger was de mens de grootste vijand van de das.
Daar zijn ze ook bang voor.
Ze ruiken de mens en zijn ze bang.
’s Nachts zijn er veel minder mensen buiten.
Dus dat is een reden waarom ze vooral ‘s nachts naar buiten komen.
Ze eten heel veel regenwormen.
Regenwormen komen ’s avonds, als de zon onder is.
Als het niet te heet en niet te droog is, komen ze boven de grond.
Ze zoeken dan zelf ook voedsel.
Zo eten die dassen ze zo op.
Ze eten: kastanjes, eikels, maïs, paddenstoelen, vooral regenwormen, slakken, mollen, muizen, ratten en egels.
Het zijn dus eigenlijk een beetje alleseters.
Maar het grootste deel van de tijd eten ze wormen.
Alleen als dat er niet is, gaan ze naar die andere dingen uitkijken.
Ze eten dus ook: tamme kastanjes, eikels en beukennootjes. Paddenstoelen eten ze ook.
Dassen hebben in zo’n burcht heel veel kamers.
Die kamers hebben verschillende doelen.
Het is een soort verzamelkamer.
Daar zitten ze allemaal gezellig bij mekaar, voordat ze naar buiten gaan. Er is ook een kamer waar ze de jongen in geboren laten worden.
Of een kamer waar ze gezamenlijk slapen als paar.
Ze maken enorm veel gangenstelsels en kamers.
Ze maken die zo diep de grond.
Ventilatie wordt een probleem voor frisse lucht.
Als er geen grondwater is kunnen ze heel diep gaan.
Dan wordt de ventilatie op het laatst zelfs een probleem.
Dan worden er aparte ventilatieschachten loodrecht omhoog gegraven. Met een pootje maakt hij een gaatje en dan gaat het ventileren.
Net als wij airco hebben.
Allemaal lange gangen, soms wel zes meter diep.
Kilometers lange gangen.
Eigenlijk is een burcht van een das nooit af.
Ze wonen duizenden jaren (generatie op generatie) op dezelfde plek.
Ze graven die burcht steeds verder uit.
Soms is er een enorme regenbui.
Dan spoelt er weer grond terug in.
Of er stort wel eens een gang wat in.
Soms waait er een boom om, met wortel en al.
Dan is het hele dak van de kamer eraf.
Dan moeten ze opnieuw graven.
Schooltv “dassenburcht”
Dassen leven in het bos.
Je kan het hol zien.
Je er in wegzakken.
Soms zie je een oud dassenhol.
Dat is een dassenburcht.
Ze niet allemaal in gebruik.
Naar boven toe wel.
Je kan heel goed zien of zo een burcht bewoond is.
Als er ’s nachts heel veel grond is uitgewerkt zie je zijn teen- en voetafdrukken nog staan.
Als hij zich uitschudt (na het graven) zand, maar ook wel wat haar.
Dat haar is best lang.
Die werden vroeger gebruikt om scheerkwasten van te maken.
Als ze niet te diep zitten, kunnen ze de mens horen.
Ze kunnen makkelijk een meter of 2, 3, 4 diep zitten.
Er zijn allerlei bochten en gangen.
Als hij dicht bij deze uitgang een kamer heeft, dan hoort hij de mens en is hij wakker.
Hij kan de mens ook wel ruiken.
Soms snuffelen ze.
Dan zijn ze waakzaam.
Bij het hol zie je een hele bult zand er uitkomen.
Ze leggen het zand te drogen in twee hoopjes.
Dat gaat dan vannacht weer mee naar binnen.
Het is een beetje dampig daar onder in de grond.
Ze luchten dus een soort dekbedje.
Natuurpunt vertelt over “dassen”.
DE IJSVOGEL
Schooltv “de ijsvogel 1”
De meeste vogels in Nederland zijn grijs, bruin of zwart.
Dan vallen ze niet op in de bomen en struiken.
Maar de ijsvogel valt wel op.
Die is knalblauw met oranje.
Die heeft heeft zijn kleur aangepast om niet op te vallen.
Die ijsvogel leeft namelijk bij het water.
Als hij vlak boven het water vliegt, op zoek naar vis, is hij bijna niet te zien voor zijn vijanden.
Blauw is dus de schutkleur van de ijsvogel.
De snavel van de ijsvogel is goed geschikt om vissen te vangen.
Vanaf een uitkijkplaats speurt hij het water af.
Hij duikt het water in om een visje te vangen.
Een mannetjes ijsvogel versiert een vrouwtje door haar een vis aan te bieden.
Het visje wordt doodgeslagen tegen een tak.
De kop gaat eerst naar binnen.
Zo heeft de ijsvogel geen last heeft van de visschubben.
De onverteerbare deeltjes van de vis worden uitgespuugd in een braakbal.
IJsvogels maken geen nest met takjes.
Ze graven een hol!
Ze graven ongeveer een week.
De tunnel kan een meter lang worden.
Aan het eind is de nestkamer.
De jonkies gaan om de beurt bij de tunnel zitten.
Als ze een hapje kregen, schuiven ze op.
Zo komen alle jonkies aan de beurt.
Natuurpunt vertelt over “de ijsvogel”.
DE OTTER
Schooltv “de vissende otter”
In sloten en plassen leven allerlei vissen, zoals karpers.
De karper zwemt weg, maar de otter valt aan.
Eerst speelt de rover met zijn hulpeloze prooi.
Dan pakt hij de karper bij de kop.
Die sleept hij aan wal.
Daar kan hij zijn prooi in alle rust opeten.
Hij maakt de karper dan kleiner in zijn bek.
Die kleine stukken slikt hij zonder te kauwen door.
Met z’n knipkiezen achter in de bek knipt hij de brokken in kleinere stukjes.
Met de scherpe nagels houdt hij de glibberige vis vast.
Er is niet veel meer over van de karper.
Schooltv “de Europese otter”
’s Morgens is het stil bij het meer.
De watervogels slapen nog.
In het water zijn al veel dieren wakker.
Een otter is op zoek naar zijn ontbijt.
Ze kunnen hun neus en oren dichtdoen als ze duiken.
Ze kunnen niet horen en ruiken.
Dat is niet erg.
Een otter gebruikt zijn snorharen om te voelen.
Zo voelt hij het water bewegen als er vissen langs zwemmen.
Met hulp van deze gevoelige haren kunnen de otters in modderig water en in het donker jagen.
Otters wonen bij meren en rivieren.
In het water vinden ze alles wat ze nodig hebben.
Ze vangen vissen en krabben.
Ze houden ook van schelpdieren.
Ze zwemmen veel.
Ze moeten goed eten.
Ze eten ongeveer een kilo vis per dag.
Eén vis is te weinig voor een otter.
Soms eten ze meer dan drie vissen per dag.
Otters kunnen heel goed zwemmen.
Dat leren ze al als ze drie maanden zijn.
Ze vinden schoolslag en rugslag niet moeilijk.
Ze zijn razendsnel.
Ze zwemmen twee keer zo snel als mensen die wedstrijden zwemmen.
Na het eten wassen ze zich.
Zij zijn heel veel in het water.
Ze maken zich aan de oever schoon.
Ze wrijven hun snuit tegen boomstammen.
Na nog een paar rondjes in het water is het tijd om uit te rusten.
Otters zijn nachtdieren.
Overdag slapen ze meestal in hun hol.
’s Nachts worden ze wakker.
Een otter woont aan de oever van een rivier.
Meestal wonen ze dicht bij het water.
Daar rust hij in een hol.
Ze houden ervan om alleen te zijn.
Ze houden niet van groepen.
Als ze verliefd zijn, willen ze natuurlijk samen zijn.
Schooltv “Wie vist er met zijn snor?”
Otters komen wel op het land.
Hun eten zoeken ze in het water.
Af en toe komt een otter even boven om adem te halen.
Hij gebruikt zijn snorharen om trillingen van het water op te merken. Zo botst hij (tijdens het zwemmen) nergens tegenaan.
Met de snor spoort een otter ook bewegende vissen op.
Met de scherpe nagels kan hij zelfs de gladste vis vasthouden.
De pootjes gebruikt hij om te zwemmen en te sturen.
Als hij snel vooruit wil, gebruikt hij zijn stevige staart.
Natuurpunt vertelt over “de otter”.
DE ADDER
Schooltv “de adder 1”
Hier zijn wel honderden adders.
Je vindt ze niet zo snel.
Ze zitten heel goed verstopt.
Ze zijn langwerpig.
Als ze hier liggen, zijn ze vaak rond, opgerold.
Ze hebben een grijsbruinige kleur.
Ze hebben een mooie donkere zigzagstreep op hun rug.
Soms vervellen adders.
Je kan dan het patroon goed zien.
Je ziet dan de kop, de ogen en het hele patroon.
Als ze jong zijn vervellen ze vaker.
Als ze ouder zijn doen ze dat meer één in het jaar.
Dat gebeurt dan vaak in het voorjaar.
Dat is dus in de lente.
Een adder is de enige gifslang in Nederland en België.
Als je gebeten wordt, moet je wel even naar het ziekenhuis.
De kans dat je gebeten wordt, is echt wel heel klein.
Schooltv “de jagende adder”
In natuurgebieden kun je adders tegenkomen.
Ook in Zuid-Europa zie je ze.
De Zuid-Europese soort heeft een omhoog gebogen snuitpunt.
Onze adder heeft die niet.
Adders leven vooral van muizen.
De adder slaat bliksemsnel toe.
Daarna laat die de prooi weer los.
De slang wacht tot de muis door het ingespoten gif dood gaat.
Een bijtende adder prikt zijn holle giftanden in de prooi.
Slangengif komt uit zakjes achter de tanden.
Het stroomt door een tand in de prooi.
De slang slaat heel snel toe.
Je kan dat alleen in vertraagde beelden zien.
De slang laat de prooi los.
De muis gaat er vandoor.
Door het slangengif sterft de muis binnen enkele minuten.
De slang ruikt het spoor van de gebeten muis.
Met zijn tong neemt hij kleine beetjes muizengeur op en brengt die in de bek.
Daarbinnen zit zijn reukorgaan.
De adder heeft de muis gevonden.
Nu zoekt hij uit hoe hij de prooi kan opeten.
De muis lijkt wel te groot voor de bek van een slang.
Toch lukt het de adder om de prooi in zijn geheel in te slikken.
Dat komt, omdat een slangenbek heel ver uit kan rekken.
Slangen kauwen hun eten niet.
Ze bijten hun prooi ook niet in kleine stukjes.
Dat duurt wel even voor de muis helemaal naar binnen is gewerkt.
De bek rekt samen het hele slangenlijf uit.
Je ziet waar de muis binnen in de slang blijft.
Adders eten muizen, ratten, hagedissen en spitsmuizen.
Natuurpunt vertelt over “de adder”.