Op het brugje aldaar vertelde de meester over de verschillende Dijle-armen in het centrum van de stad. We spraken dit jaar ook al over “water in Leuven”. De boomstammen van de knotwilgen daar hebben overigens een ijzeren manteltje aan. Dat is tegen de “vreetpartijen” van de bever, die met de schors allerlei dammen in de rivier maakt..
We stapten over enkele “ringmuurresten op de grond”: 12de eeuwse stadsomwalling door de Redingenstraat aan het CAW.
Aan de “Wolvenpoort” zagen we een bas-reliëf van twee wolven. Eén stukje van het beeld komt uit de muur, het andere moeten we er bij denken.
Daarna gingen we het trapje op van het Dijlepark. We bekeken er het bord met “kruiden”.
In het Dijelpark zagen we een val tegen de Aziatische hoornaar. Daar blijven we dus af.
We stapten door een soort prieeltje, een rozenboog pergola naar de Naamsestraat. Daar zagen we meteen de grote boom: “De boom van groot verdriet” aan het Atrechtcollege.
Op het brugje aldaar vertelde de meester over de verschillende Dijle-armen in het centrum van de stad. We spraken dit jaar ook al over “water in Leuven”. De boomstammen van de knotwilgen daar hebben overigens een ijzeren manteltje aan. Dat is tegen de “vreetpartijen” van de bever, die met de schors allerlei dammen in de rivier maakt..
We stapten over enkele “ringmuurresten op de grond”: 12de eeuwse stadsomwalling door de Redingenstraat aan het CAW.
Aan de “Wolvenpoort” zagen we een bas-reliëf van twee wolven. Eén stukje van het beeld komt uit de muur, het andere moeten we erbij denken.
Daarna gingen we het trapje op van het Rambergpark. We bekeken er het bord met “kruiden”.
In het Rambergpark zagen we ook het fluitenkruid.
Er was ook een val tegen de Aziatische hoornaar. Daar blijven we dus af.
We stapten door een soort prieeltje, een rozenboog pergola naar de Naamsestraat. Daar zagen we meteen de grote boom: “De boom van groot verdriet” aan het Atrechtcollege.
Daar bestaat een verhaal van: hier kan je het beluisteren. Die boom zou 200 jaar oud zijn. En volgens de berekeningen is die 1,2 miljoen euro waard.
Voor de (meeste) Leuvenaars is de Boom van ’t Groot Verdriet geen onbekende.
“Op de binnenkoer langs de Naamsestraat staat een reusachtige Japanse honingboom (Sophora japonica). Deze boom is meer dan 200 jaar oud en is gezaaid door een geestelijke die vanuit Japan zaad had meegebracht van deze soort. Beelden uit het begin van deze eeuw laten zien dat de boom toen haast dubbel zo groot was en de takken tot aan de gevels van de overkant van de straat kwamen. De Leuvense studenten noemden hem vroeger de boom van groot verdriet. Tussen 1921 en 1977 werd het Atrechtcollege voornamelijk gebruikt als tehuis voor studentinnen. De strenge tucht die er heerste, veroorzaakte heel wat verdriet bij de jongens die aan de ingang, dus bij de honingboom, hun geliefde onbereikbaar zagen (de meisjes moesten ’s avonds om 19u binnen zijn).” (dank aan seniorenKULleuven)
We wandelden door het stadspark. We zagen een graffiti-tekening in de Vlamingenstraat.
Aan het college van “Wijsbegeerte en Letteren” zagen we een blauwe regen. Die klimt stevig tegen de gevels van huizen aan. De bloemen waren al uitgebloeid. Ze hebben een heerlijke geur.
Wie goed kijkt ziet achter deze muur van blauwe regen een prachtige bas-reliëf van de kunstenaar Constant Meunier.
We zien er 4 taferelen over het werken: in de mijn, in een haven, op het veld en in de industrie.
In de hal van (het vroegere Groep T) de KUL konden we er twee wagens bekijken.
Onze school lijkt wel ingepakt door de kunstenaar Christo.
Heel wat gevels en gebouwen hebben een groot wit, plastic zeil. Daarachter kan je stellingen zien.
Na vele jaren kan/ mag er eindelijk gewerkt worden aan de klassen en lokalen. Het meeste deel behoort tot erfgoed. Dan kan je niet zomaar een nageltje hier kloppen of een vijsje daar draaien. Een raampje of deurtje ginds zomaar erbij zetten, dat kan ook niet…
De Bulgaars-Amerikaanse kunstenaar Christo (volledig: Christo Javacheff, 1935–2020) en zijn vrouw Jeanne-Claude stonden bekend om hun monumentale inpakkunst. Al zijn fysieke installaties maakte hij met de hand. Hij werkte volledig onafhankelijk en financierde zijn miljoenenprojecten zelf door de verkoop van eigen schetsen en collages. Zijn vader was wetenschapper. De kunstenaars die bij zijn moeder op bezoek kwamen ontdekten het artistieke talent van de jonge Christo.
Christo en Jeanne-Claude vonden het als kunstenaars belangrijk dat zij samen genoemd worden.
Als er iets mooi aansluit bij computationeel denken… dan is het niet alleen schaken, zeeslag, vorm – kleur – grootte – dikte, … maar zeker ook dit…
Braille Sommige mensen moeten leren lezen zonder ogen. Daarom is het brailleschrift bedacht. Daarmee lees je door te voelen. Blinden en slechtzienden leren dit schrift thuis of op een school. Zo kunnen ze ook mooie boeken en verhalen lezen.
Op televisie worden soms programma’s met audiodescriptie voorgelezen. Dan vertellen ze wat iemand doet, voelt of kijkt. Ook wat er te zien is in de ruimte (kamer, winkel, boot, trein, …).
Morse Lang geleden gebruikten mensen ook “morsetekens”. Dat zijn tekens in plaats van letters. Zo kon men met een geheime taal allerlei berichten over de hele wereld sturen. Iedereen verstond elkaar.
Seinvlaggen De kapiteins van schepen geven ook allerlei berichten door met vlaggen. Dat wordt nu niet zoveel meer gebruikt, vroeger veel meer.
Taal En eigenlijk is iedere taal ook een soort computationeel denken. Hoe met je bepaalde letters achter elkaar uitspreken? In de ene taal spreek je dat zo uit, in de andere taal juist niet.
Rekenen Ook bij rekenen hebben we heel wat computationeel denken. Alle stapjes die we nodig hebben bvb. voor een staartdeling, heel wat bewerkingen… Allemaal denkpatronen die we stap-voor-stap moeten leren kennen en gebruiken.
Patronen Ook patronen zelf zijn een mooi voorbeeld van computationeel denken. Hoe moet ik de tekeningen herkennen, is er een herhalende vorm – kleur – enz.
Kooi van Faraday
Professor Van Dyck legt uit wat bliksem is en hoe het steeds de weg van de minste weerstand zoekt.
Bliksem
De kooi is dus gemaakt uit een geleidend metaal, zodat de elektriciteit niet doordringt tot in de kooi.
Professor Van Dyck legt uit hoe de lading wordt afgeleid naar de grond.
Deze proeven worden alleen door geoefende mensen uitgevoerd.
Voor iedere seconde die tussen de flits en de klap zit, geldt dat er 343 meter tussen jou en het onweer zit.
Zit er drie seconden tussen de bliksemschicht en het gedonder, is het onweer dus zo’n kilometer bij je vandaan.
Als je het aantal seconden deelt door drie, weet je op welke afstand het onweer zich bevindt.
Dus:
Je telt het aantal seconden tussen flits en donder en deelt dit door drie.
De uitkomst is ongeveer de afstand in kilometers.
Tel je 10 seconden of minder, dan is de bui gevaarlijk dichtbij en zoek je beter een veilige schuilplaats.
Niet doen tijdens een onweer…: zwemmen, vissen of surfen.
Ga meteen weg bij een meer bij een naderend onweer.
Verlijd ook rivieren en de zee. Zwemmen, vissen, surfen en varen is dan levensgevaarlijk.
Alleen boten met een afgesloten metalen hut zijn binnen veilig.
Zij werken als een kooi van Faraday.
Houd ramen, deuren, ventilatieopeningen, enz. zoveel mogelijk gesloten. (zie ook Sportzorg)
Bliksemafleider: een ijzeren staaf of stok die op het hoogste punt van een gebouw staat.
Die kan een mogelijke bliksemschicht afleiden via een “aarding” (kabel met groen en gele draad) naar de grond/ aarde. De geschiedenis van de bliksemafleider.
Meccano is een speelgoed dat al heel lang bestaat.
Meccano bestaat officieel sinds 1901. De uitvinder, de Engelsman Frank Hornby, vroeg op 9 januari 1901 patent aan voor zijn educatieve constructiespeelgoed. De merknaam ‘Meccano’ werd in september 1907 officieel geregistreerd.
Het concept is gebaseerd op het idee “make and know”: maken en weten.
Herbruikbare metalen onderdelen met gaatjes die door middel van boutjes en moertjes aan elkaar worden bevestigd om constructies te bouwen.
Er zijn heel wat machines, voertuigen, gebouwen die gebruik maken van de techniek van meccano. Misschien vinden we in de scheepslift van Strepy ook zo een metalen plaatjes met gaatjes en bouten en moeren.
Sommige kleine auto’s kunnen op afstand met een controller worden bediend. Zij rijden dan door de handelingen die een “bestuurder” op afstand doet. Die afstand mag niet te groot zijn, anders komt het signaal van de “controller” niet tot bij de wagen.
Een sensor op/ in de auto vangt het signaal van de controller op. En zo voert de auto de “bevelen” uit die de “bestuurder” met de handen draaide of indrukte.
Ook volwassen mensen spelen en oefenen met zo een wagentjes.
Eind juni 2026 is er in Zwitserland een team “Hydro Ghosts” uit Tienen dat deelneemt aan het wereldkampioenschap racen. De wagentjes worden aangestuurd met waterstof.
Het team van piloten en ingenieurs zijn leerlingen van het Atheneum in Tienen. De acht teamleden zijn geboeid door wetenschap.
Ze hebben de auto op afstandsbediening dan ook helemaal zelf omgebouwd.
Steenkool is ontstaan uit plantenresten. In sommige lagen van die steenkoolmijnen vinden we plantenafdrukken.
Waar nu steenkool te vinden is, groeiden er heel lang geleden bomen, varens en struiken .
Die bomen, varens en struiken werden bedekt met zand, modder en rotsen.
Zo raakten de bomen en planten begraven op diepten van 400 tot 4000 meter.
Door de grote druk van de grond en de hevige warmte uit de ondergrond, veranderde deze plantenmassa langzaam. Stilaan werden kolen gevormd. Dat gebeurde door vele miljoenen jaren. Er zijn soms zelfs haaientanden gevonden. Dat toont aan dat er vroeger zelfs zee is geweest op die plaatsen.
“We landen in het jaar 1900. In Wallonië en in onze buurlanden is steenkool big business. Elke dag dalen duizenden mijnwerkers af onder de grond, op zoek naar het zwarte goud. In de Limburgse Kempen gebeurt weinig tot niets … er ligt niets dan arme heidegrond. Tot geoloog André Dumont en zijn team op 1 juni 1901 met een enorme boormachine op het toneel verschijnen. Het grote nieuws over de steenkoolvondst in Limburg gaat als een lopend vuurtje rond. Een ware kolenrush begint.”
Terrils zijn kunstmatige heuvels in de nabijheid van (voormalige) steenkoolmijnen, ontstaan door de ophoping van gruis en afval afkomstig van de steenkoolwinning. Deze resten bleven achter bij iedere mijnsite.
Blegny-Mine ligt tussen Luik en Maastricht, is Blegny-Mine één van de vier authentieke koolmijnen van Europa waar de ondergrondse galerijen nog toegangelijk zijn voor de bezoekers. Daal af met de liftkooi naar een andere wereld. Je krijgt een voorstelling over het gebruik van de machines en de ondergrondse uitrustingen. Je verneemt alles over het dagelijkse leven van de “koempels”/ kompels/ mijnwerkers , hun vreugde, hun zorgen, hun angsten en hun werkomstandigheden.
Vervolgens ontdek je de geheimen van de sorteer- en wasinstallaties, vanaf de aankomst van het mineraal tot aan het transport. De aanvoerwagens, de zeven, de laadtrechters, de systemen voor het laden en lossen van de mijnwagens, de zuiveringsinstallaties, de wasserij en opslag : alle behandelingen van de kolenwasserij worden u getoond.
Blegny-Mine en de 3 andere sites uit Wallonïe (Bois du Cazier, Bois-du-Luc en Grand Hornu) worden sinds juli 2012 erkend als wereldpatrimonium door de Unesco.
Op het einde van de 19de eeuw werden er 322 m diep in de steenkoolmijn van Bernissart een dertigtal vrij volledige iguanodonskeletten ontdekt. Doordat de beenderen nog op hun plaats zaten, was een ‘waarschijnlijk natuurgetrouwe’ opstelling mogelijk, die al vlug bezoekers uit de hele wereld aantrok! (zie derdelj.com)
het tijdperk – de steenkool – de mijn – de varens – de struiken – de galerij – de installatie – het skelet – het zinkgat – de kolen – het gas – de plantenafdruk – de liftkooi – de schacht – het zwarte goud – de mijnwerker – de mijndorpen